Plaatsing, representativiteit en sensorverzorging.
Een sensor meet het gewas niet; hij meet de exacte micro-omgeving waarin hij is geïnstalleerd. De juiste plaatsing is daarom van cruciaal belang.
Sensoren moeten worden geplaatst in de actieve wortelzone van een gezonde, representatieve plant, op een diepte waar de wortels gedurende de teeltcyclus actief blijven. Ze moeten niet direct naast een druppelaar worden geplaatst, omdat dit leidt tot kunstmatig hoge vochtigheidsmetingen die geen representatieve weerspiegeling vormen van de gemiddelde omstandigheden in de wortelzone. Een consistente plaatsing van druppelaars is daarom niet alleen belangrijk voor de werking van het substraat, maar ook om betrouwbare en vergelijkbare sensorgegevens te waarborgen.
De bredere kascontext is even belangrijk. Sensoren moeten niet in hoeken, langs randen, bij looppaden, of in gebieden die worden beïnvloed door schaduw, tocht of ongelijkmatige beregening geplaatst worden. Randplanten en afwijkende zones ondervinden omstandigheden die afwijken van die van het grootste deel van het gewas en kunnen leiden tot gegevens die niet representatief zijn voor de algehele teeltomgeving.
Zodra sensoren zijn geïnstalleerd, dienen ze gedurende de gehele teeltcyclus op hun plek te blijven. Herhaaldelijk verwijderen en opnieuw plaatsen kan de structuur van de steenwol verstoren, de lokale waterverdeling veranderen en de consistentie van de gegevens in gevaar brengen. Als een sensor verwijderd moet worden, mag deze niet op dezelfde locatie opnieuw worden geplaatst. Voorheen gebruikte insertiepunten kunnen luchtzakken bevatten die de vochtigheid en EC-metingen kunnen beïnvloeden. In dergelijke gevallen dient de sensor te worden geïnstalleerd op een nieuwe, ongestoorde locatie.
Consistentie in de plaatsing is essentieel om gegevens correct te interpreteren. Het stelt telers in staat om trends te identificeren, de respons van de planten te begrijpen en afwijkingen met vertrouwen te detecteren over het gehele gewas.